Hoe duurzaam de wereld voeden?

23 november 2017

Het tijdschrift EOS gaat in op de vraag hoe we de wereld zo duurzaam mogelijk kunnen voeden, en twijfelt of bio de beste keuze is. Hun redenering is gebaseerd op hardnekkige mythes, namelijk dat honger opgelost kan worden door meer te produceren en dat minder landbouw per definitie meer biodiversiteit inhoudt.

Volgens een studie van FiBL is een volledig, wereldwijde omschakeling naar bio mogelijk als we ongeveer een derde minder vlees zouden eten en minder voedsel zouden verspillen. EOS-journalist Dieter De Cleene betwist de haalbaarheid ervan. In zijn artikel staan een aantal beweringen die we in vraag stellen.

Hij stelt een model voor waarbij efficiënte productie voorop staat: kiezen voor een nog intensievere landbouw, met ggo's en kunstmest. Op die manier kan de vrijgekomen grond terug aan de natuur geschonken worden.

Zelf geeft hij ook al wel aan dat ook dan zal moeten gekozen worden voor meer plantaardig voedsel. En een eerste vraag die je je kan stellen is of voedselverspilling tegengaan ook geen vorm is van efficiënter omgaan met voedsel in de keten.  En is het niet naïef om te geloven dat vrijgekomen grond automatisch natuurgrond zou worden?

BLINDSTAREN OP OPBRENGST
De Cleene vervalt in de intussen gekende ‘boutade’ dat bio meer landbouwgrond vereist om eenzelfde hoeveelheid voedsel te produceren omdat de opbrengst per hectare lager ligt. Hij gaat volledig voorbij aan het feit dat deze hogere opbrengsten te danken zijn aan hoge toedieningen van (kunst)mest en chemie, met alle negatieve gevolgen voor bodem en milieu.

Het is ook niet zo dat meer productie automatisch betekent dat de honger uit de wereld zal verdwijnen. Honger wordt vandaag immers niet veroorzaakt door een gebrek aan productie, maar door armoede. Zo gaat voedsel in onze neoliberale markt naar zij die het kunnen betalen. Als er meer verdiend kan worden met de productie van veevoeders, biobrandstoffen of desnoods snijbloemen, dan zal de landbouwgrond daarvoor gebruikt worden. 

MINDER LAND, MEER NATUUR
De Cleene stelt dat "de soortenrijkdom op bio-akkerbouwbedrijven weliswaar iets hoger is dan bij gangbare landbouw, maar slechts een schijntje van die in natuurgebied". Hij pleit voor een strikte scheiding tussen landbouw en natuur. Zo kan de grond die vrijkomt bij een efficiëntere product terug aan de natuur gegeven worden.

De praktijk leert dat grond die vrijkomt door intensiever te gaan produceren, niet automatisch naar natuur gaat! Ook hier geldt: als er meer geld kan verdiend worden met aan (intensieve) landbouw te doen, dan wordt er in ons neoliberaal model gewoonweg nog meer aan landbouw gedaan. Of het land gaat naar andere toepassingen zoals woningbouw of industrie.

Biodiversiteit gaat trouwens veel verder dan louter het beschermen van zeldzame soorten. Landbouw heeft water, bestuiving en een gezonde bodem nodig en voor heel wat soorten zijn akkers een belangrijk deel van hun leefgebied. Biodiversiteit betekent ook: natuur realiseren buiten de natuurgebieden, creëren van lokale biodiversiteit, corridors realiseren, inzetten op het maximaliseren van de ecosysteemdiensten, enzovoort. 

"De Cleene concludeert dat vrijgekomen landbouwgrond ‘teruggegeven’ moet worden aan de natuur. De praktijk leert dat grond die vrijkomt door intensief te boeren nochtans niet automatisch naar natuur gaat! "

GLYFOSAAT
“Verschillende in de biolandbouw toegestane middelen breken trager af, zijn giftiger en schadelijker voor nuttige insecten dan bijvoorbeeld glyfosaat,” meent De Cleene. Voor alle duidelijkheid: glyfosaat is een herbicide en die zijn sowieso niet toegelaten in de biolandbouw. De Cleene verwijst naar een zeer beperkte lijst natuurlijke bestrijdingsmiddelen die toegestaan zijn in de bioteelt. 

De overgrote meerderheid van de stoffen op die lijst zijn niet schadelijk. Bovendien voldoen alle producten aan dezelfde regels voor toegelaten producten in de gangbare landbouw. Een bioboer mag niets gebruiken wat een gangbare boer ook niet mag gebruiken. De sector werkt trouwens actief aan de uitfasering van enkele nog resterende stoffen die mogelijk schadelijk zouden kunnen zijn.

Maar nog belangrijker is dat De Cleene niets zegt over de strategie die bio hanteert bij gewasbescherming. Bioboeren houden de pesticidenspuit als allerlaatste redmiddel, wanneer andere teelttechnieken ontoereikend blijken te zijn. Er zijn dan ook een aantal bioboeren, die er in een kleinschalig systeem in slagen om het zonder te doen. De druk naar steeds meer grootschaligheid moet misschien ook eens in die context bekeken worden. 

GGO'S NIET WENSELIJK
De Cleene verwijt de biosector vervolgens dat ze geen ggo’s toelaten, ook als die bedoeld zijn voor insectenresistentie. Hij geeft het voorbeeld van een ggo-gewas dat dankzij een gen uit een bacterie een stof produceert die schadelijke rupsen doodt. Dezelfde stof mag je in bio - opnieuw: in laatste instantie - ook als biologisch bestrijdingsmiddel op het gewas spuiten, maar dus niet systematisch als ggo in de plant.

Het punt is dat de ggo-kwestie geen puur technisch verhaal is. Meer ggo's zet de deuren open naar nog meer machtsconcentratie bij enkele multinationals. Een recent IPES-rapport wijst op de nefaste impact van deze machtsconcentraties. Is men bereid is om dat plaatje ruimer te bekijken? Moet voedsel volledig in handen komen van enkele multinationals, of willen dat eerder in handen van boeren en consumenten?

Bij ggo's aanvaardt men schijnbaar zonder enige moeite de vele beloftes, terwijl er onderzoeksmiddelen voor blijven vrijgemaakt worden. Nochtans is ook agro-ecologie, een landbouwvorm waarin met de natuur wordt samengewerkt, een beloftevolle aanpak voor het voedingsprobleem. Alleen krijgt deze tak nauwelijks onderzoeksmiddelen toebedeeld. In dat licht zou je haast kunnen zeggen dat het nog wel meevalt met dat opbrengstverschil. 

ABSOLUTE MILIEU-IMPACT
Nog een bewering van De Cleene is dat het met kunstmest makkelijker is om bemesting op de noden van een gewas af te stemmen. Dat zal inderdaad het geval zijn bij slecht functionerende bodems. Bij bodemverbetering, gericht op het in stand houden en verbeteren van de bodembiodiversiteit, gaat het bodemleven nutriënten, inclusief nitraat, vasthouden. Wanneer je daarentegen een kapotte bodem hebt als gevolg van overmatige toediening van (kunst)mest en fungiciden is het bodemleven vernield en moet je zo precies mogelijk proberen te bemesten. Alle metastudies wijzen er dan ook op dat bio beter scoort per eenheid oppervlakte, ook op het vlak van nutriëntenuitspoeling.

CONCLUSIE: HET BESTE VAN TWEE WERELDEN? 
De Cleene besluit dat we best streven naar mengvormen van bio en gangbaar. Misschien. Een toekomstgerichte landbouw zal in elk geval zorg moeten dragen voor de bodem. Overmatige bemesting met (kunst)mest is nefast, net als het continu gebruik van fungiciden. Streven naar een maximalisatie van productie negeert de nadelige milieu-effecten die dat veroorzaakt. Inzet op hoogtechnologische toepassingen maakt ons steeds meer afhankelijk van enkele multinationals, die heus niet wakker liggen van de honger in de wereld.

De oplossing volgens ons? Met agro-ecologie streven we naar gifvrije, gezonde bodems, divers voedsel en een actieve rol voor de landbouwer. We streven naar een optimale voedselproductie. En we geloven best dat de wetenschap ons nog kan helpen om de opbrengsten misschien nog wat op te krikken. De wereld onder onze voeten is immers nog een grote onbekende. Hoe zitten bodemprocessen precies in elkaar en hoe kunnen we daar beter op inspelen? Hoe kunnen we de veredeling afstemmen op de noden van een agro-ecologische landbouw en hoe kunnen we daar de boer zo goed mogelijk bij betrekken?

Dat zijn de vragen die gesteld zouden moeten worden. 

Foto: KVL Creative Nature voor BioForum.