"We moeten opnieuw naar lokale voedselproductie"

26 oktober 2017

Op 23 oktober ontving professor Olivier De Schutter de James Beard Foundation Leadership Award. Die prestigieuze prijs is een eerbetoon voor mensen met bijzondere verdiensten op het vlak van duurzame voedselvoorziening. Onze landgenoot is de eerste niet-Amerikaan die de prijs ontvangt.

Olivier De Schutter is hoogleraar rechten aan de Université Catholique de Louvain (UCL) en werkte van 2008 tot 2014 als bijzonder rapporteur voor het recht op voedsel voor de Verenigde Naties. 

Momenteel is hij medevoorzitter van het Internationaal Panel van Deskundigen voor Duurzame Voedselsystemen (IPES-Food), een organisatie die qua uitstraling en belang vergelijkbaar is met het IPCC, het internationale klimaatpanel van de Verenigde Naties, maar dan voor voeding. IPES-Food moedigt de politieke autoriteiten met nauwkeurige en onafhankelijke wetenschappelijke rapporten aan tot een overschakeling naar een duurzame voedselproductie.

In de aanloop van de prijs had het magazine Body Talk een interview met hem. 

U zet zich al jaren in voor duurzame voedselproductie. Vanwaar dat engagement?
OLIVIER DE SCHUTTER: Mijn vader was diplomaat. Daardoor heb ik veel gereisd. In India en Rwanda werd ik geconfronteerd met problemen van sociale rechtvaardigheid en toegang tot voedsel. Die ervaring maakte dat ik me wilde inzetten voor de rechten van alle bevolkingsgroepen ter wereld en vooral voor het recht op voedsel. Dat voedsel moet bovendien van goede kwaliteit en duurzaam zijn, zodat ook de volgende generaties zich goed kunnen voeden.

Hoe staat de wereld er op dat vlak voor?
DE SCHUTTER: In de jaren 1950 tot 1970 vonden we oplossingen voor het probleem van de ondervoeding, met een mechanisering van de landbouw, een grootschalig gebruik van pesticiden en irrigatie en de ontwikkeling van hoogproductieve hybride rassen. De ‘groene revolutie’ heette dat.

Maar het streven naar een steeds grotere productie viel niet op alle vlakken of voor alle landbouwers even voordelig uit. Boeren met kleine percelen of onvoldoende financiële middelen om de nodige machines aan te schaffen, bleven achter. Zoals de armste boeren in Latijns-Amerika en Zuid-Azië. Die aanpak had zeker voordelen voor sommigen, maar veroorzaakte evengoed een steeds grotere ongelijkheid. Bovendien werkte hij monoculturen, een versnelde bodemerosie en een vermindering van de landbouwdiversiteit in de hand. Het gebruik van pesticiden droeg bij aan de vervuiling van het drinkwater en de oceanen met hun fauna en flora. De afvloed van stikstof en fosfor als gevolg van de overmatige bemesting met chemische meststoffen deed algen welig tieren, waardoor het zuurstofgehalte in het water daalde en de visbevolking afnam. Die voedselproductie is dus helemaal niet duurzaam of milieuvriendelijk.

"De groene revolutie was helemaal niet duurzaam of milieuvriendelijk."

Ondertussen zien we ook de beperkingen in van de voedselhulp en -handel die opgezet werden als antwoord op de voedselonzekerheid. Veel arme landen kopen levensmiddelen in rijke landen waar de productie gesubsidieerd wordt door nationale en supranationale overheden zoals de Europese Unie en de OESO. De landen in het Zuiden werden daardoor voor hun voeding afhankelijk van de landen in het Noorden, terwijl hun eigen landbouw wegkwijnde. In de lente van 2008 bijvoorbeeld verdrievoudigde de prijs van de tarwe, mais en soja door de recordprijs voor aardolie en door de speculatie. De arme landen met een voedseltekort konden door die prijzencrisis geen kant meer op.

Op de korte termijn hebben die oorspronkelijk goede bedoelingen tot goede resultaten geleid, met een hogere voedselproductie om aan de vraag te voldoen. Maar op de lange termijn draaiden ze negatief uit. Momenteel leeft ongeveer 1 miljard mensen in hongersnood en lijdt bijna anderhalf miljard volwassenen aan overgewicht, van wie 400 miljoen mensen aan obesitas, terwijl een derde van de wereldvoedselproductie verloren gaat of verspild wordt. Het huidige systeem is zeer wankel en op termijn onhoudbaar. We moeten van koers veranderen.

INVESTEREN IN FAMILIEBEDRIJVEN

U sprak over de crisis van 2008. Wat was de impact daarvan?
DE SCHUTTER: Volgens mij was het een keerpunt. Een samenloop van factoren heeft de markten sterk opgeschrikt. Om te beginnen waren de weersomstandigheden uiterst slecht, wat leidde tot een inkrimping van de voorraden. Vervolgens was er de gezamenlijke verklaring van de Verenigde Staten en Europa om de ontwikkeling van biobrandstoffen te ondersteunen. Daardoor werd steeds meer koolzaad, biet en mais gebruikt voor de productie van biobrandstoffen, wat de markten extra onder druk zette. Een derde factor was de sterk stijgende olieprijs, omdat de landbouw erg afhankelijk is van fossiele brandstoffen. De klap op de vuurpijl was de financiële speculatie op landbouwproducten.

Wat moet er veranderen?
DE SCHUTTER: Er moet geïnvesteerd worden in de familiebedrijven. Kleinere landbouwbedrijven zijn beter in de productie van voedsel zonder de ecosystemen te vernietigen en zijn minder afhankelijk van externe input. We moeten investeren in het vervullen van de lokale behoeften, voor zowel de landen in het Zuiden als de landen in het Noorden. Zonder particuliere investeringen om de landbouw naar een meer duurzame, lokale productie te sturen, komen we nergens. De rol van de overheid bestaat erin het losgeslagen systeem weer in handen te krijgen en particuliere groepen ervan te overtuigen hun geld in dergelijke ondernemingen te investeren.

Maar het tegendeel gebeurt: de grote voedingsmiddelenbedrijven worden steeds machtiger.
DE SCHUTTER: De regeringen voeren commerciële onderhandelingen in het belang van de multinationals van de voedingsmiddelensector, zodat die kunnen blijven exporteren. De kleine producenten kunnen zelfs niet meer terecht op de lokale markt in hun eigen regio. De politiek stelt de logica waarop dit systeem berust amper in vraag. In de geïndustrialiseerde landen leggen de autoriteiten langzaamaan de rol van subsidies en investeringen opnieuw onder de loep, maar de hervormingen die daaruit voortvloeien zijn niet opgewassen tegen de structurele internationale druk van de privésector. We moeten een manier vinden om af te stappen van het onverbiddelijke winststreven, dat zo nadelig is voor de duurzaamheid van voedingssystemen. In de zuidelijke landen mikt men op de groeiende middenklasse. Met hun koopkracht kunnen ze de consumptie- en productiepatronen beïnvloeden, in het voordeel van lokale producenten. Die aanpak moet gepaard gaan met de invoering van sociale bescherming, minimumlonen, enzovoort, om de plaatselijke koopkracht te verhogen. Dat is onze uitdaging voor de komende 20 jaar.

Afstappen van een systeem dat door multinationals wordt gestuurd, gebeurt niet alleen door actie te ondernemen op internationale schaal. Wat kunnen we bij ons doen om naar meer rechtvaardigheid en duurzaamheid, maar ook naar een meer kwaliteitsvolle voeding te evolueren?
DE SCHUTTER: De consument kan op 3 manieren ingrijpen. Ten eerste moeten we voor een dieet kiezen met minder dierlijke eiwitten. We weten al dat onze consumptiepatronen een impact hebben op de leefbaarheid van onze planeet. Op het vlak van vlees en melk moeten we afstand nemen van de industriële kanalen, want die zijn ontzettend slecht voor het milieu. De biolandbouw is een mogelijke optie. Dat weet het Waals Gewest, waar minder industriële ketens zijn dan in Vlaanderen, al langer.

"Op het vlak van vlees en melk moeten we afstand nemen van de industriële kanalen. De biolandbouw is een mogelijke optie." 

Ten tweede moeten we zo veel mogelijk de voorkeur geven aan lokale producten. Zo beperken we het energievretende transport, stimuleren we de plaatselijke economie en weten we waar ons voedsel vandaan komt. De traceerbaarheid verhoogt.

Ten slotte kunnen we voor producten die niet bij ons geproduceerd worden, kiezen voor de eerlijke handel, die eveneens voordeliger uitdraait voor de lokale bevolking in het buitenland. Als de meerderheid van de bevolking die 3 strategieën toepast, kunnen we een belangrijke invloed uitoefenen op de multinationale voedingsmiddelensector. Daar ben ik van overtuigd.

EERLIJKE HANDEL

De vraag naar eerlijke handel stelt zich niet enkel in de zuidelijke landen, ook al zijn zij de eerste slachtoffers van de grote voedingsconcerns die hun bodemprijzen opdringen voor hun grondstoffen. Ze stelt zich ook bij ons. Hoe kunnen we die fair trade ondersteunen?
DE SCHUTTER: We kunnen de producenten ondersteunen door rechtstreeks bij hen aan te kopen, of door gebruik te maken van korte ketens, zoals coöperaties. Zo weten we zeker dat het bedrag dat de kleine producenten ontvangen in overeenstemming is met de productiekosten. Het is ook de moeite waard gewassen te telen die niet bestemd zijn voor de grote voedingsindustrie. De terugkeer naar vergeten groenten is daar een mooi voorbeeld van, net als het toenemende aanbod van fruit en groenten met meer afwijkende vormen in de supermarkten. Onder druk van de vraag van hun klanten moesten de supermarkten zich aanpassen. Zo zie je welke invloed we als consument kunnen hebben. Maar als we dat helemaal alleen moeten doen, zal het moeilijker zijn en langer duren danwanneer onze overheid zich mee in de strijd werpt.